Feline infectieuze peritonitis

Zo nu en dan zien wij een kat met feline infectieuze peritonitis (FIP). Gelukkig niet zo vaak, want het is een ernstige, altijd dodelijk verlopende ziekte.

Feline infectieuze peritonitis is een virusziekte.
Na infectie met het virus zijn er verschillende mogelijkheden.
In de meeste gevallen wordt de infectie niet opgemerkt of is het verloop mild met lichte ziekteverschijnselen, waarna de kat op de normale manier weerstand ontwikkelt tegen de ziekte en helemaal beter wordt.
Bij sommige katten verloopt de reactie van het weerstandssysteem (bedoeld om het virus onschadelijk te maken) afwijkend en die afwijkende reactie is de oorzaak van de ziekteverschijnselen.
Het ziektebeeld ontwikkelt zich pas langere tijd na de infectie (weken tot maanden).

Er zijn twee vormen van FIP.
Bij de natte vorm hoopt zich ontstekingsvocht op. De kat heeft een opvallend bolle buik door de vocht ophoping of is benauwd door vocht in de borstholte. Vaak hebben deze katten ook geelzucht.
In de droge vorm kan het virus allerlei organen aantasten, zoals nieren of lever en soms ook het zenuwstelsel en/of de ogen.
Bij beide vormen is er sprake van sloomheid, een matige eetlust en vermagering.
Meestal worden wat jongere katten ziek, maar ook bij oudere katten wordt het wel eens gezien.

Bloedonderzoek naar de ziekte kan alleen aanwijzingen geven, geen zekerheid.
Een test op aanwezigheid van antilichamen geeft ook geen zekerheid, omdat ook katten die niet ziek geworden zijn van de virusinfectie bij een test positief kunnen zijn.
Als er in borst of buikholte vocht aanwezig is, geeft onderzoek van dat vocht meestal wel een redelijke zekerheid. Het heeft een karakteristieke gele kleur, een hoog eiwit gehalte en is stroperig.
Onderzoek na de dood is de enige manier om een diagnose van FIP werkelijk te bevestigen.

Er is geen behandelingsmogelijkheid en de ziekte is altijd dodelijk.
Ook kan de ziekte niet worden voorkomen. Er wordt wel gewerkt aan vaccins, maar op dit moment is er nog geen veilig vaccin dat goed werkt.

Geïnfecteerde katten scheiden het virus uit via hun speeksel en ontlasting.
Besmetting ontstaat vooral doordat er katten zijn die drager blijven van het virus. Waarschijnlijk wordt de infectie vooral door een moederpoes die drager is, overgedragen aan de kittens.
Besmetting vindt in elk geval alleen plaats bij een nauw contact tussen katten.
Het virus kan enkele weken in de omgeving overleven. Het wordt echter vrij snel geïnactiveerd door de meeste huishoudelijke schoonmaak- en ontsmettingsmiddelen.

01-05-2016